Verdwalen in een grot met een gangenstelsel van 220 km is levensgevaarlijk.
Dat wij er tóch ingingen, kwam omdat twee jongens beweerden
dat zij daar de weg kenden.
We klommen het oude Fort St. Pieter in, waartegen een restaurant
was gebouwd. Wij hoopten dat geen van de serveersters ons door de
schietgaten naar binnen zag kruipen. In het fort is een wenteltrap die
ons naar de grotten bracht. Het was allemaal heel interessant en ook
spannend, want we kwamen terecht in een instortingsgebied.
Toen we na een uur terug wilden gaan, moesten onze twee 'gidsen' toegeven,
dat ze verdwaald waren. Verdwaald!! Met een hele klas spijbelaars!!
Natuurlijk wist niemand dat we in de grotten zaten. Hoe lang kon het
duren voordat ze op het idee zouden komen om ons hier te gaan zoeken?
Hoeveel tijd kostte het om ons te vinden? Misschien zouden we een paar
dagen in het donker moeten zitten, rammelend van honger en bibberend
van kou. Dit zou een zeer ongunstige invloed hebben op onze
overgangsrapporten, temeer omdat onze klas 'de eerste oorlogsgolf'
werd genoemd door de leraren. Zij beschouwden ons als een natuurramp,
die slechts met gebed bestreden kon worden.


Tot onze schrik begonnen de lampen zwakker te worden zodat we het
licht moesten rantsoeneren. In grote haast kropen wij verder in een
richting die hopelijk de goede zou zijn. Eindelijk herkenden onze
'gidsen' een gat in een muur. We kropen er doorheen en bereikten
de wenteltrap. Met het laatste restje licht beklommen we de 100
treden van de trap en kwamen opgelucht boven. Op dat moment was
hondengeblaf te horen. Waarschijnlijk had een van de serveersters ons
tóch gezien en had zij haar baas verteld, dat er weer jongens
in het fort zaten. Die had rustig gewacht tot we weer boven kwamen
en stuurde toen twee honden op ons af. Als parachutisten sprongen wij
achter elkaar door vier grote schietgaten naar buiten. Pas tijdens de
sprong realiseerden wij ons hoe hoog het daar was. Een geluk, want de
honden met hun grote bek, durfden niet naar beneden te springen,
toen wij er hinkend van de pijn vandoor gingen.


Dit soort boeiende en leerzame excursies versterkte ons saamhorigheidsgevoel.
Het was duidelijk: de Hogere Burger School (HBS) was goed bedoeld,
maar wij deden niet meer mee.


Veertien dagen later kregen wij de uitslag van het overgangsexamen.
In onze klas waren 16 van de 32 jongens gezakt. Toen mijn vader mijn
rapport zag, met 12 onvoldoendes van het ergste soort, vond hij dat de
tijd rijp was om mij naar een kostschool te sturen. Een strenge kostschool.


Vroeger kregen hongerlijders een uniform en werden zij naar de
buurlanden gestuurd om te gaan plunderen. Dikwijls kwamen zij
naar Maastricht en als ze voor de stadsmuren stonden, werden ze
rijkelijk getrakteerd. Niet op gehaktballen, maar op kanonskogels,
want de psychologie bestond nog niet. Naar de oorzaak van de
dingen werd niet gekeken en men dweilde graag met kranen open.
De gietijzeren kogels waarmee zo'n vijand in de rug werd aangevallen,
waren afkomstig van het Fort St. Pieter, boven op de St. Pietersberg.

Inmiddels was het alweer een paar eeuwen verder, toen ik op
kostschool belandde. Daar raakte ik bevriend met Tom, die veel
belangstelling bleek te hebben voor het Fort St. Pieter.
Omdat ik daar de weg kende, beloofde ik hem een rondleiding te geven.
Er waren nog méér geïnteresseerden zodat we tijdens
de eerstvolgende vakantie, de kerstvakantie, met vijf jongens op pad gingen.

Door gaten in de verweerde muur als traptreden te gebruiken,
bereikten wij een schietgat en kropen naar binnen.
Daar werden de meeste gangen verlicht door de schietgaten.
Alleen het binnenste van het fort was aardedonker.
Daar bevond zich een put waarvan het water op een diepte zat
van zo'n veertig meter. De put leek daardoor, voor het grootste
gedeelte, op een lege fabrieksschoorsteen, waar zich een wenteltrap
omheen wentelde. Via die trap kwam je beneden in de grotten van de
Sint Pietersberg. Maar omdat wij niet van plan waren om dáár naartoe
te gaan, had ik alleen maar een kleine zaklamp meegenomen.

Tegen de voorkant van het fort was een restaurant gebouwd en blijkbaar
hadden ze ons naar binnen zien klimmen.
De eikenhouten poort van het fort, bereikbaar vanuit het restaurant,
werd plotseling met veel geknars en gepiep geopend en we hoorden
stemmen van mannen, die ons zeer zeker niet met een bosje bloemen
kwamen verwelkomen. Waarschijnlijk was het de eigenaar van het
restaurant en een van de obers.
We maakten dat we wegkwamen. Met behulp van het zaklampje
rende ik met Tom naar het binnenste van het fort, naar het poortje met
de wenteltrap. Terwijl we naar beneden begonnen te lopen, vroegen we ons
verbaasd af waar de drie anderen waren gebleven. Gelukkig kende één van
hen de weg in het fort.
Na zo'n dertig treden stonden we stil en ik deed het licht uit.
Op verschillende plaatsen waren er gaten in de 'schoorsteen' en als je
boven in de put keek, kon je door die gaten het licht zien van degenen die
zich op de wenteltrap bevonden.
Zwijgend stonden we in het donker, want ongetwijfeld zouden op dat
moment de twee mannen over de putrand gebogen staan om te kijken
en te luisteren.
Ik hoefde Tom, een ervaren kostschooljongen, niets uit te leggen.
Hij was snel van begrip!
We stonden dicht bij een gat in de putwand en we hoorden het
praten en vloeken van de mannen door de put galmen.
Daarna was het geluid te horen van voetstappen. Ze kwamen de trap af!!
Het angstzweet brak ons uit.

Op de keurige Rooms Katholieke Hogere Burger School was
het in die tijd heel gewoon dat driftige leraren knallende
oorvijgen uitdeelden aan leerlingen.
Wat zou ons hier te wachten staan, op deze afgelegen plek,
als we in handen vielen van die twee figuren?
Hun opgehoopte frustraties door vele mislukte achtervolgingen
uit het verleden, zouden zij met rente op ons laten neerhagelen.
In het donker verder naar beneden lopen op de uitgesleten
mergeltrap met zijn hoge treden, was levensgevaarlijk.
Als we de zaklamp gebruikten, zouden ze ons zien door de gaten.
Wij konden weinig méér doen dan vurig hopen dat de mannen
zich tijdig zouden omdraaien in de veronderstelling dat zij zich
vergist hadden. Maar ze kwamen steeds lager.
Met kloppend hart stonden we met onze buik tegen de
putwand gedrukt. Een lichtstraal kwam de hoek om... scheen
rakelings achter onze ruggen... en toen stonden ze stil.
"Hier zitten ze niet", hoorden we een van hen brommen.
Ze gingen weer naar boven en het licht verdween.
Voor alle zekerheid schreeuwden ze nog één keer in
de put dat ze in het vervolg honden op ons af zouden sturen.
Daarna werd het donker en doodstil.

schietgaten

Het goede nieuws was, dat de drie andere jongens tijd genoeg hadden
gekregen om door een schietgat naar buiten te vluchten.
Het slechte nieuws was, dat wij niet terug naar boven durfden
te gaan. Wij moesten verder de diepte in, waar een berg
moeilijkheden op ons lag te wachten.
Het eerste probleem was mijn kleine zaklamp. Zouden de batterijen
zo'n lange tocht overleven? We hadden minstens een uur nodig
om via de grotten weer buiten te komen, maar een andere
keus hadden we niet.
Na honderd traptreden kwamen we in de 'kelder' van het fort.
Om van daaruit in de grotten te komen, moest je door een bakstenen buis
kruipen van zo'n twee meter lengte.
Vermoedelijk was die buis gemaakt om te voorkomen dat de vijand
via de grotten het fort zou binnenkomen. In oorlogstijd lag daar
waarschijnlijk een soldaat in met een geweer, als een staartschutter
in een bommenwerper.
De buis werd vaak met zand en glasscherven afgesloten door de eigenaar
van het restaurant, maar even vaak weer leeggeschept door
ondernemende jongelingen, die dit leuker vonden dan huiswerk maken.
Zou de buis vandaag geopend of gesloten zijn?
We hadden geluk en kropen er doorheen. De buis eindigde in
een mergelgang op anderhalve meter hoogte boven de vloer en het
was altijd een hele kunst om daar tijdens het neerstorten niet
op je hoofd te vallen.

De Franse revolutionairen wilden Europa bevrijden van koningen en adel.
Die hadden door hun naïeve zelfverrijking de economie in gevaar gebracht,
waardoor de achterbuurten welig tierden. Maar toen de revolutionairen
in 1793 naar Maastricht kwamen, werden zij niet als bevrijders beschouwd
door de plaatselijke adel. Die liet vanuit het fort de Fransen beschieten,
zodat zij na drie weken de benen namen. In 1794 kwamen zij terug,
vastbesloten om Maastricht te veroveren, maar daarvoor moest eerst
het fort opblazen worden. Dat zouden ze doen vanuit de grotten waar
tonnetjes met buskruit op elkaar werden gestapeld.
Ze staken een lont aan en renden in gestrekte galop naar buiten,
waarschijnlijk met wijsvingers in hun oren. Na deze operatie bleek dat
het fort geen meter was verschoven. Er volgde nóg zo'n poging en
toen gaven ze het op. Het enige resultaat was, dat de grotten onder het
fort veranderd waren in een levensgevaarlijk instortingsgebied.

instortingsgebied

Dit gebied lag vol grote en zeer grote steenbrokken.
Er was bijna geen doorkomen aan. Ik besloot om de zaklamp niet te sparen,
want de kans op verdwalen was hier het grootst.
Gelukkig zouden de drie ontsnapte jongens kunnen vertellen waar
ze ons moesten gaan zoeken, als we die avond niet thuis kwamen.
Wij klommen en struikelden en het zweet liep van ons van het gezicht.
Tenslotte kwamen we op een plaats waar een enorme rotsblok omlaag
was gevallen, dat de afmeting had van een kleine kamer.
Hij was op het laatste moment klem blijven zitten tussen de
wanden van een gang. Ik was blij toen ik dat blok zag, want ik
wist nu dat we in de goede richting gingen. Maar écht blij was ik niet.
De ruimte onder het blok was zó laag dat je er plat liggend
onderdoor moest kruipen. Dit ging gepaard met het
schurende geluid van je kleren.
Vooral in het midden van het blok kostte het zelfbeheersing om niet
in paniek te raken. Voor Tom was dit de eerste keer.
Hij hield zich verdomd goed en volgde zwijgend.

Toen we eindelijk buiten het instortingsgebied kwamen en
weer rechtop konden lopen in normale gangen,
bleek dat we teveel hadden gevraagd van de zaklamp.
Hij brandde nog, maar twee versnellingen lager.
We besloten het laatste restje stroom van de batterij als
reserve te bewaren.
Gelukkig had Tom een aansteker bij zich en die zouden we
als verlichting gaan gebruiken. Maar na enige tijd werd
het vlammetje kleiner en ging tenslotte uit. We kregen
het toen even heel erg benauwd.
Tijdens de pogingen om de aansteker weer aan het branden te krijgen,
ontdekte ik dat de vonken van het vuursteentje een fel wit licht gaven.
Omdat ik daar de weg goed kende, wilde ik proberen om met
behulp van die vonken verder te lopen. Bij elke vonk werd
de omgeving heel even verlicht. Dan dacht ik na.
Wat had ik gezien? Ik zag... dat de gang een bocht naar rechts
maakte. Aha! Dan zaten we dus dáár....
Vervolgens nam ik Tom bij zijn arm en maakten we in het
donker vijf stappen. Opnieuw een vonk.
Tot onze verbazing werkte dit systeem! We liepen op vonken!!
Alleen op kruispunten gebruikte ik de zaklamp.
Uiteindelijk zijn we via een betonnen tunnel (die ooit voor
vrachtwagens werd aangelegd) weer buiten gekomen.
Toen moesten we nog een wandeling maken naar de bewoonde wereld,
alwéér in het donker, want de zon gaat 's winters vroeg naar huis.

De drie jongens, die op de slaapkamer van één van hen zaten te wachten,
waren opgelucht toen wij na twee uur verschenen.
Als we een uur later waren gekomen, hadden ze hulp moeten gaan halen,
al wisten ze niet wáár.
Ze vertelden dat zij inderdaad uit de schietgaten van het fort waren
gesprongen toen de twee mannen bij de put stonden te tieren.

Het was een interessante middag geweest, humoristisch en toch leuk,
maar voorlopig was ik even helemaal genezen van het fort en de grotten.


Hoewel ik voorlopig genoeg had van ondergrondse avonturen,
werd ik min of meer gedwongen om tóch weer naar de grotten te gaan.
Ik had een acute, derdegraads verliefdheid opgelopen.
Ze heette Marga, kwam uit Heerlen en zou met de fiets naar
Maastricht komen om mij te bezoeken. Wat een eer!
Twintig kilometer fietsen om mij te zien!
Zoiets was mij nooit eerder overkomen. Daar moest
natuurlijk wél iets tegenover staan, begreep ik.
Een open sportwagen, om met haar toertjes door de
stad te maken, zou ideaal zijn, maar mijn sportwagen
was een oude een fiets, die ik van mijn vader had
gekregen en die met moeite de oorlog had overleefd.
Toen kreeg ik een veel beter idee!

Nadat we elkaar op de afgesproken plek hadden begroet,
vertelde ik haar over de grotten waarin ik de weg kende.
Mijn voorstel was om samen een grottenwandeling te gaan maken.
Tot mijn grote verbazing vond ze dat leuk!
Dit had ik helemaal niet verwacht van Marga,
zodat ik -inwendig jubelend- vliegensvlug naar huis
ging om een zaklamp te halen.
Even later fietsten we opgewekt naar de St. Pietersberg.

ijzeren deur

Onderweg vertelde ik hoe ik de weg had leren kennen onder
de grond. Met enkele vrienden gingen wij geregeld de grotten in.
Soms door een schietgat van het fort, maar ook
vaak door de ijzeren deur die door gidsen en
toeristen werd gebruikt. Die deur werd dikwijls niet afgesloten.
Blijkbaar veronderstelden de gidsen dat ongewenste
individuen na het openen van de deur en bij het zien
van de gitzwarte duisternis, vanzelf zouden terugdeinzen.

Als wij met een groepje jongens eenmaal in de grotten waren,
op welke manier dan ook, hadden we behalve zelfgemaakte
petroleumlampjes en zaklampen ook een rol vliegertouw bij ons.
Het begin daarvan werd vastgebonden aan een steen.
Tijdens het lopen, rolden we het touw af, zodat we
later zonder te verdwalen de uitgang konden terugvinden.
Kenden we de weg, dan rolden we een volgende keer
het touw pas uit op de plaats waar we de vorige keer gestopt waren.
Zo leerden wij steeds meer gangen kennen.

Tot mijn tevredenheid was de ijzeren deur open. We parkeerden
onze fietsen en gingen naar binnen.
Hier kreeg ik te maken met een zware, psychische dreun.
In mijn haast was ik vergeten om de lamp te controleren en
ontdekte nu dat de batterijen in verre staat van
ontbinding verkeerden. Hoe had ik zo oerstom kunnen zijn!!
"Onze ogen moeten nog even aan het licht wennen," zei ik tegen Marga,
wetende dat dit kletskoek was.
Gelukkig bestond het eerste stuk van deze grot uit een
tunneltje van 200 meter lang zonder zijgangen.
Verdwalen was daar onmogelijk.
Na het tunneltje kwamen we op een gecompliceerde vijfsprong.
Kordaat koos ik een van de gangen, maar stond na twee meter stil.
Het schijnsel van de zaklamp was met het blote
oog bijna niet meer te zien. Ik stond voor aap met
mijn stoere verhalen, maar moed verloren, al verloren.

grot

Ik vroeg aan Marga of ze lucifers en papier bij zich had.
Tot mijn geluk haalde ze lucifers uit haar tasje en
daarna een agenda van plastic slangenleer.
In die armoedige jaren was dat een pronkstuk.
Wat een prachtige agenda!!
"Mag ik daar een velletje uit scheuren?" vroeg ik vol ongeloof.
Het mocht! Met een lucifer werd de eerste week van
Januari 1952 in brand gestoken.
Het vuur gaf veel meer licht dan mijn armzalige lamp,
maar tegelijk verblindde het mij. Daarom moest ik
deze minifakkels boven mijn hoofd houden.
Door het telkens verbranden van mijn vingers wist
ik wanneer het volgende blaadje aan de beurt was.
Om papier te sparen, maakten we grote passen.
Tegen de tijd dat de maand juni in brand vloog,
hoorden we stemmen. Uit een zijgang naderde een
flauw lichtschijnsel: een gids met een groep toeristen.
Snel trok ik Marga een andere gang in, waar we
ons verscholen in een diepe nis.
Hopelijk zou de gids daar niet voorbij lopen,
maar alles ging goed.
Toen de mensen gepasseerd waren en we juist één
stap buiten de nis hadden gezet, zag ik op een afstand
van zo'n drie meter, een klein rood lampje. Verbijsterd bleef ik staan.
Zo zacht als ik kon, fluisterde ik tegen Marga:
"Daar staat... een vent.... in het donker... een sigaret te roken."
Maar die man had ons al gehoord! Waarschijnlijk was
hij een champignonkweker, die in het donker een
sigarettenpauze maakte.
Hij deed zijn zaklamp aan, die een ongelofelijk
krachtige luchtbundel produceerde. Hiermee vergeleken, was mijn
zaklamp alleen maar geschikt voor het opwekken van
een langdurige slappe lach gevolgd door de hik.
Maar er viel niets te lachen. De champignonkweker was
zich een ongeluk geschrokken, toen wij vanuit de duisternis
plotseling zo dicht voor hem stonden.
Hij gaf zijn emoties ruim baan en produceerde een scheld- en
vloekpartij waarvan een paard op hol zou slaan. "Hoe heten jullie?"
brieste hij tenslotte. Natuurlijk gaf ik hem een valse naam en
Marga deed hetzelfde. "Wat een schatje! Daar moet ik zéker
mee gaan trouwen!" dacht ik. "Jullie gaan hier links af, door de
tunnel en meteen naar buiten. En reken maar dat ik jullie namen
doorgeef aan de politie," riep hij ons na.
Met het laatste restje licht van de zaklamp (de rust had hem goed gedaan)
bereikten wij de zwarte tunnel en liepen toen naar een wit vierkantje
in de verte: de uitgang. Zo eindigde wat een romantische middag had moeten worden,
in een smadelijke aftocht. Toen Marga even later op de fiets stapte om weer twintig
kilometer naar huis te rijden, begroette ze mij koel en keek
niet meer om. Het moet een dure agenda geweest zijn.
Mensen die graag lachen om andermans ellende, kan ik het
boek aanbevelen over mijn jeugd.
Lachen jullie maar lekker, terwijl ik in de piepzak zit.

Veertien dagen daarna zat ik weer op kostschool en
kreeg toen een brief van Marga. Omdat ik (kort samengevat)
in alle opzichten buiten haar verwachtingspatroon viel,
maakte ze het uit met mij.
Er zat voor mij niets anders op dan dat ik met
lange tanden een tunnel zou knagen, dwars door een brei
met goedbedoelde, maar nutteloze algebra, op zoek naar
het geluk, dat ik in die richting natuurlijk niet vond.


De alimentatie die ik betalen moest, dwong mij om
elke dag een uur aan tafel te gaan zitten met
pen en papier. Hoe moest ik aan dat geld komen?
Alle ideeën noteerde ik, voordat ik ze zou vergeten.
Mijn auto verkopen, zoals de rechter zei? Geen sprake van.
Passagiers naar naburige vliegvelden brengen?
Onmogelijk.
Er mochten niet meer dan twee personen in mijn
bestelwagentje vervoerd worden.
In Rusland accordeons kopen en die hier verkopen?
Hoe kwam ik op dát belachelijke idee?
Antiek dan? Ook niet. Teveel gesjouw.
Enkele weken later viel de knikker! Grottengids worden!

Na een sollicitatiegesprek bij de VVV maakte ik kennis
met Eduard, het hoofd van de gidsen. Hij zou
mij de weg gaan leren onder de grond. Maar voordat
hij al die moeite ging doen, werd ik als eerste getest.
Dat gevoel kreeg ik tenminste.
Hij vertelde de meest afschuwelijke verhalen over
het tellen van de kassa, de kuren van de computer,
het herstellen van fouten en het berekenen
van groepskortingen.
Hij wees aan door welke deuren de toeristen wél en
niet naar de WC mochten gaan.
"Menigtes zijn dol op toiletten," waarschuwde hij,
"vooral na busreizen en speciaal als zo'n bus al te
laat is en het schema van de gids in gevaar komt."
Vervolgens demonstreerde Eduard hoe je benzinelampen
van nieuwe kousjes moest voorzien, hoe je ze moest vullen en
aansteken en waar de brandblusser hing. Hij toonde mij
folders in verschillende talen, waaronder het Japans.
Verder sprak hij over roze, gele en witte bonnen,
over lijsten die dagelijks ingevuld moesten worden en
over een teller om klanten te tellen. Hierna zweeg
hij om te zien wat mijn reactie was op dit
weerzinwekkende verhaal.
Maar zelfs een ijsverkoper moet tot diep in
de nacht papieren invullen, dacht ik. Als ik daar te lui
voor was, moest ik maar naar een bejaardentehuis gaan.
Toen Eduard merkte dat ik niet gebroken was,
stak hij gerustgesteld een benzinelamp aan.

Onderweg naar de grotteningang, een paar honderd meter verder,
genoot ik van het uitzicht op de stad, dat ik er bij
elke rondleiding gratis bij zou krijgen.
Eduard vertelde dat Maastricht 120 gidsen heeft.
Zestig bovengronds voor rondleidingen door de stad.
De andere helft werkt ondergronds in de grotten,
het fort of in de kazematten.
In de grotten aangekomen, maakten we een ronde door
de gangen. Na een uurtje waren we bij het beginpunt en
maakten we nóg een rondje, maar nu mocht
ik de weg wijzen. Natuurlijk was ik binnen een
minuut verdwaald. Eduard wees mij de verschillende
herkenningspunten aan: een gat, een diepe kras, een getal,
een bocht. Hoe was het mogelijk dat ik hier ooit
de weg had gekend, althans in een klein gedeelte van
het gangenstelsel. Sinds 1952, vijftig jaar geleden,
was ik nooit meer in de grotten geweest.
Pas na enkele weken kon ik mij bepaalde gangen weer herinneren.

De volgende dag moest ik terugkomen en opnieuw liepen we twee
uur in de grotten. Zo ging het dagen achter elkaar.
Eindelijk mocht ik voorop lopen met de lamp.
Bij elk kruispunt stond ik een paar seconden stil,
totdat Eduard naast me stond. Dat was heel belangrijk,
want de punten van zijn schoenen, waar ik onopvallend naar keek,
wezen meestal de goede richting aan.
Tot mijn verbazing verdwaalde ik niet, al was het duidelijk dat
ik op den duur de weg óók moest kennen zónder
de schoenen van Eduard.

Tenslotte lukte dat en ik voelde mij zeer gelukkig.
Maar dit geluk stortte in, toen Eduard mij de volgende opdracht gaf:
"Loop nu eens diezelfde ronde, maar dan in omgekeerde richting."
Ik stond perplex. Al na honderd meter was ik verdwaald.
Het zag er opeens allemaal héél anders uit,
zodat ik van voor af aan moest beginnen.
Een week later leerde Eduard mij een route voor gebruikers
van rolstoelen. Langzamerhand begon het mij te duizelen,
maar Eduard was tevreden.

Eindelijk kende ik de weg voldoende om alléén
op stap te gaan. Eduard verdween in het restaurant en
ik in de grotten.
Hij had mij aangeraden om dit vaker te doen vanaf nu.
Wél moest ik dat tevoren aan een van de gidsen vertellen en
mij later bij diezelfde gids weer afmelden. Dit om te
voorkomen dat ik een nacht in de grotten opgesloten
zou zitten, zonder dat iemand het wist.
Na een half uur lopen en onder de indruk van de eenzaamheid,
de stilte en de duisternis, zag ik tot mijn verbazing
een groep spoken in een zijgang staan. Wat kregen we nou?
Wat was dát? Ik bleef staan en de spoken schuifelden
langzaam in mijn richting. Het bleken een stuk of
zeven vrouwen uit India te zijn, in lange, witte gewaden en
met witte hoofddoeken. De gids die erbij was,
had ik door zijn donkere jekker niet gezien.
Op andere plaatsen zag ik in de zijgangen
monniken haastig wegduiken, hun gezichten verborgen onder
zwarte kappen. Het bleken de schaduwen te zijn van muren en
pilaren. Ook hoorde ik een zacht getjilp.
Eduard had mij geleerd wat dat was: vrijende vleermuizen.
Als ze niet vrijen, hangen daar 's winters hoog aan
het plafond, bij voorkeur in gebieden waar geen mensen komen.
De allergrootste schrik van die morgen kwam,
toen bleek dat ik verdwaald was.
Even borrelde een paniek omhoog. Wat nu?!
Wat moest ik doen? Dát had Eduard mij niet geleerd!
Ik dacht na, zette de lamp op de grond en dacht nóg
eens diep na. Daarna liep ik met mijn zaklamp een
willekeurige gang in, maar zó dat achter mij nog steeds
het schijnsel van de benzinelamp te zien was.
Er was niets dat ik herkende.
Daarna deed ik hetzelfde met een andere gang. Pas bij de
derde gang herkende ik een tekening op een muur en
wist ik de weg weer. Eduard mocht in geen geval weten
dat ik verdwaald was. Mogelijk zou hij dan de opleiding
met enkele weken verlengen en al die tijd zou ik geen
cent verdienen.

Inmiddels had ik van Eduard een dikke klapper gekregen met
allerlei grottengeschiedenissen. Er stonden zoveel verhalen en
feiten in, dat nieuwe gidsen daaruit naar eigen smaak een
veldboeket mochten samenstellen.
Gevolg: de verhalen van de gidsen zijn allemaal anders.
De een praat veel over vleermuizen, de ander over smokkelaars.
Er zijn gidsen die alles weten over de Franse revolutionairen
of over de 8000 mensen die in 1944 tijdens de bevrijding naar de
grotten zijn gevlucht.

Eindelijk was ik klaar voor het examen.
Dat werd afgenomen door Eduard én de directeur van de VVV.
Tot mijn schrik waren de toeristen die ik moest rondleiden
Amerikaanse vrouwen, zodat ik examen in het Engels moest doen.
Nadat ik een plattegrond van de grotten had laten zien
(die ergens op een muur getekend staat en die op een groot stuk
kippengaas lijkt) vroeg een van de vrouwen, hoe ze die
gangen vroeger konden meten.
"Dáár weet hij geen antwoord op," zag ik mijn geachte
examinatoren denken, maar héél toevallig had ik
daarover iets gelezen. Ik legde uit dat ze in het midden van
een aantal gangen touwtjes spanden.
Vervolgens werd met een gradenboog de hoek gemeten tussen
de touwtjes die elkaar kruisten. Met een kompas werd de
richting bepaald. Ik was geslaagd!

Sindsdien (2002) leid ik jaarlijks zo'n 4000 mensen rond,
die ik tijdens elke rondleiding minstens zes keer laat
lachen en zoiets verveelt nooit!
Mijn collega's, mannen en vrouwen, zijn mooie figuren zodat ik mij in de
grotten thuis voel. Temeer omdat mijn vriendin Christina ook grottengids is
geworden. Bij dit "werk" moet je veel lopen, zodat wij jaarlijks jonger worden!
Kortom, het betalen van alimentatie heeft mij rijk gemaakt!

grot

Terug naar boven